Over de praktijk
Autisme-PDDNOS (informatie voor de jeugd)
Het meest opvallend bij autisme is de stoornis in het contact met andere mensen. Een mildere vorm van autisme is het meest bekend onder de engelse afkorting: PDDNOS. Dit betekent: Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified. In het Nederlands staat er zoiets als: een a-typische ontwikkelingsstoornis die op alle levensgebieden (school, gezin, vrienden en vrije tijd) van invloed is. Bij PDDNOS doen zich dezelfde problemen voor als bij autisme, alleen in mindere mate.
Waar heb je last van?
Je houdt je vaak afzijdig. Of je zoekt juist te veel contact, maar het blijft
eenrichtingsverkeer. Daarnaast is er sprake van een stoornis in je communicatie
en/of je taalgebruik. Je spreekt niet of nauwelijks. Of je praat wel, maar op
een eigenaardige manier. Bijvoorbeeld met een typisch stemgeluid, bijzondere
woordkeus of veel herhalingen. Als je autisme of PDDNOS hebt, word je slechts
geboeid door een of twee voorwerpen, activiteiten of gedachten. Je blijft hieraan
kleven en je vervalt in herhaling.
Hoe vaak komt het voor?
Autisme komt voor bij 2 tot 5 personen per 10.000. PDDNOS bij ongeveer 2 per
1000.
Hoe wordt autisme of PDDNOS vastgesteld?
Het stellen van de diagnose autisme of PDDNOS is specialistenwerk.
Wat lijkt wel er op maar is het niet?
Verlegen kinderen of voorzichtige kinderen hebben nog geen autisme of PDDNOS.
Als je geremd bent of de neiging hebt veel op jezelf te zijn, maar je hebt er
in het dagelijks leven geen grote problemen mee, dan heb je geen autisme/PDDNOS.
Kinderen die erg verwaarloosd zijn, lijken in hun gedrag soms op kinderen met
PDDNOS. Maar bij hen is de oorzaak van dat gedrag anders.
Wat is de oorzaak?
Er is nog geen duidelijke oorzaak voor autisme/PDDNOS gevonden. Waarschijnlijk
speelt erfelijkheid een belangrijke rol. Ook problemen tijdens de zwangerschap
of rondom de geboorte worden in verband gebracht met autisme/PDDNOS, evenals
bepaalde stofwisselingsziekten.
Wat is er aan te doen?
Wat kunnen ouders doen?
Autisme/PDDNOS is (nog) niet te genezen. Als kinderen jong zijn, kan het zinvol
zijn de ontwikkeling extra te stimuleren. Prikkeling op deelgebieden als contact
maken met andere mensen, taal/spraak en motoriek. Bijvoorbeeld met logopedie
of fysiotherapie. Ook kunnen ze sociale vaardigheidstraining krijgen. Het helpt
helaas niet altijd. Het is belangrijk dat u en anderen in de omgeving van uw
kind rekening houden met de sociale handicap. Daarvoor is het nodig dat u zich
zo goed mogelijk informeert over autisme/PDDNOS. Via ouderverenigingen is veel
nuttig materiaal te krijgen.
Kinderen met autisme/PDDNOS worden makkelijk overspoeld door alle prikkels die de hele dag op hen afkomen. Vooral sociale situaties zijn snel verwarrend. Het is daarom in de eerste plaats belangrijk hen te helpen met het meer ‘behapbaar’ maken van deze continue informatiestroom. Dit kan door:
- het aantal prikkels te verminderen;
- veel structuur aan te brengen, bijvoorbeeld door
van tevoren kleren klaar te leggen; - regelmaat aan te houden: vaste tijden voor vaste activiteiten;
- ingewikkelde taken te verdelen in kleinere,
meer overzichtelijke taken; - duidelijk te zijn, voorspelbaar te zijn, consequent te zijn
en regels vaker te herhalen.
Waaruit bestaat een behandeling?
Autisme en PDDNOS zijn ernstige stoornissen die waarschijnlijk al vanaf de geboorte
aanwezig zijn. Een behandeling zoals gesprekken of trainingen gericht op genezing
bestaat niet. Met een speciale begeleiding wordt het leven met autisme of PDDNOS
wel iets makkelijker.
Er bestaan ook geen medicijnen die de sociale en communicatieve problemen laten verdwijnen. Wel kunnen medicijnen helpen als er veel bijkomende problemen zijn zoals hyperactiviteit, agressiviteit, woede-uitbarstingen of chaotisch en ongericht gedrag. Medicijnen kunnen in die gevallen de hanteerbaarheid, de toegankelijkheid en de leerbaarheid vergroten.
U kunt bij hulpverlenende instanties begeleiding krijgen van een opvoedingsdeskundige. Gezamenlijk zoekt u dan naar een geschikte aanpak van uw kind, rekening houdend met de handicap. U leert niet alleen om te gaan met de sociale problemen, maar ook met de vaak bijkomende problemen als agressie, niet luisteren, chaotisch gedrag en automutileren (zelfverwonden). Dikwijls wordt gewerkt met opvoedingsprincipes als belonen en straffen. Er is geen standaardbehandeling. Per patiënt moet bekeken worden wat de sterke en zwakke kanten zijn en welke behandeling het best past.
Bron: Accare, landelijk kenniscentrum kinder- en jeugdpsychiatrie